Door Carmen om 13:37 op 6-5-2009, bekeken 362 keer
![]() |
Algemeen beeld:
moet snelheid tonen, vol adel en vriendelijk van uitdrukking zijn. Hoofd: moet lang en droog zijn en bij de oren niet grof. De hersenpan ovaal (van oor tot oor) met veel ruimte voor hersenen en met goed ontwikkelde achterhoofdsknobbel. Uitstekende wenkbrauwen, stop aangegeven. De snuit tamelijk diep en vrijwel vierkant aan het einde. De afstand van de stop tot de punt van de neus moet lang zijn, de neusgaten wijd en de kaken bijna even lang, |
|
geen hanglippen. De kleur van de neus donker mahonie of donker
walnootkleurig of zwart en die van de ogen, die niet te groot mogen
zijn, donker hazelnootkleurig of donkerbruin. De oren moeten van
middelmatige grootte, fijn van vel, laag en goed naar achteren aangezet
zijn en in een sierlijke plooi tegen het hoofd hangen.
Hals: moet middelmatig lang, zeer gespierd, maar niet te dik zijn, licht gebogen, vrij van elke schijn van keelhuid. Lichaam: moet in verhouding zijn, schouders fijn bij de boegpunten, laag en goed ver naar achteren hellen. De borst zo diep mogelijk, voor vrij smal. De ribben goed gewelfd, met volop ruimte voor de longen. Lendenen gespierd en licht gebogen. De achterhand breed en krachtig. Benen en voeten: de achterbenen moeten van heup tot spronggewricht lang en gespierd zijn, van spronggewricht tot de grond kort en sterk. De knie en spronggewrichten goed gebogen en zonder binnen of buitenwaartse afwijking. De voorbenen moeten recht en pezig zijn, zeer benig, de ellebogen vrij, goed naar omlaag en, evenals de sprongen, zonder buiten of binnenwaartse afwijking. De voeten klein, zeer stevig, tenen sterk, dicht bij elkaar en gebogen |
|
Staart:
moet middelmatig lang, evenredig aan de grote van de romp en vrij laag zijn aangezet, sterk aan de wortel en in een fijne punt uitlopend. Hij moet zoveel mogelijk in een lijn met of beneden de rug worden gedragen. Haar: op hoofd, voorkant der benen en toppen der oren moet het haar kort en fijn zijn, maar op alle andere delen van het lichaam en de benen moet het van tamelijke lengte zijn, vlak, en zoveel mogelijk vrij van krul of golf. |
![]() |
|
Bevedering:
deze moet op het bovenste deel der oren lang en zijdeachtig zijn, aan de achterkant der voor en achterbenen lang en fijn. Tamelijk veel haar op de buik, waar het een mooie franje vormt, die zich mag uitstrekken tot op borst en keel. De voeten moeten tussen de tenen goed behaard zijn. De staart moet een mooie franje van tamelijk lang haar hebben, hetwelk korter wordt naar de punt. Alle bevedering moet zo recht en vlak mogelijk zijn. |
![]() |
Kleur en aftekening:
de kleur moet rijk goud- kastanjebruin zijn, zonder enige zweem van zwart. Wit op de borst, de keel of de tenen, of een sterretje op het voorhoofd of een smalle streep of plekje op de neus of het gezicht zullen de hond niet diskwalificeren. Schouderhoogte : deze moet tussen de 58 – 67 cm voor de reuen liggen en voor de teven tussen de 55 – 62 cm. Deze raspunten gelden reeds, vrijwel onveranderd, sinds 1882. Het behoefd geen betoog, dat iemand die nog nooit een Ierse setter heeft gezien aan deze beschrijving beslist niet genoeg heeft om zich een voorstelling van de Ierse Setter te maken. |
Herkomst Ierse setter
Ierland het land van herkomst van de Ierse setter, een land dat naast het onovertroffen Ierse paard enige hondenrassen hebben voortgebracht dat tot de allerbeste en allerschoonste gerekend mag worden. Dat de Ieren schone honden hebben gefokt is zeker, maar van geschreven vastlegging blonken ze niet uit. Een van de oudste afbeeldingen waarop een hond met het type, uitdrukking en kleur is een afbeelding gemaakt door Anth.van Dyck ong. 1635.
|
In de 17 eeuw werden er al stammen zuiver gefokt. De Ieren waren
verwoed jagers en door de geïsoleerde ligging van het eiland kon de
Ierse setter tot een formidabele jachthond uitgroeien. In de vroegere
jaren kwamen er reeds twee kleurpatronen voor, ten eerste de effen
rode, zoals wij die nu kennen en de rood met wit gevlekte. De rode meer
in het Noorden en de gevlekte in het Westen en Zuiden van Ierland. Er
is in 1803 een beschrijving gegeven in de “A VeteranSportsman”waar het
volgende over de Ierse setter wordt geschreven. “de jagers in Ierland
hebben liever hun setters dan Pointers omdat de eerste beter geschikt
zijn voor de jacht aldaar” dit heeft te maken met het klimaat en de
gesteldheid van de bodem van dit eiland. De Grouse jacht was een zeer
vermoeiende jacht en de Ierse setter was
krachtig genoeg om hier aan deel te nemen.
|
|
|
Een van de oudste stammen
van de eenkleurige was die van Lord de Freyne. In 1793 bezaten zij
reeds een koppel effen rode. Er is geen Ierse setter of hij telt
Palmerston onder zijn voorouders. Palmerston was een goede jachthond
maar volgens zijn eigenaar niet sterk. Toen Palmerston 5 jaar was sprak
zijn eigenaar het doodvonnis over hem uit omdat het jachtwerk hem te
zwaar werd. Op de plaats van de terechtstelling kwam hij een kennis
tegen die deze hond te waardevol vond en deze meneer Hilliard wist hem
te bewegen om Palmerston aan
|
![]() |
hem af te staan.
Nog vele jaren is deze Palmerston op tentoonstellingen uitgebracht en verkreeg nog de titel Champion, kinderen van deze beroemde hond hadden een grote betekenis in de fokkerij van de rode Ier. Palmerston had een wit sterretje op zijn voorhoofd en een wit vlekje aan zijn kin die hij aan veel van zijn nakomelingen mee gaf de “Palmerston chin”komt nu nog regelmatig voor. |
|
De geschiedenis van de Ierse setter
in Nederland begint in 1885 met het eerste bekende nest van de reu
Mate. In de loop van de jaren heeft de Nederlandse fokkerij een
belangrijk stempel op de Ierse setter gedrukt en is de kwaliteit van de
Ierse setter werkelijk hoog en wij kunnen op het hoogste niveau
meedraaien. Momenteel worden de Ierse setters niet veel meer voor de
jacht gebruikt. Dit heeft onder meer te maken doordat een Ier veel veld
neemt en de jachtgebieden in Nederland niet die omvang hebben die voor
de setter gewenst is.
|
|
De Ierse setter bleek ook als “huishond” goed te voldoen en daarbij
waren natuurlijk de jachteigenschappen van minder belang. Het gaat
echter te ver om te spreken van een degeneratie van het ras, deze
oersterke jachthond heeft nog steeds de goede jachteigenschappen in
zich. En ook nu wordt nog met grote regelmaat aan veldwedstrijden door
de Ierse setter deelgenomen.Tot slot een kort woordje over het karakter
van onze Ierse setter, ze worden dikwijls beticht van zenuwachtige
honden maar zij zijn zeker niet zenuwachtiger dan een iedere andere
hond.
|
![]() |







Reageer op deze pagina
Wil je een link maken begin dan met http://